(1)
Daar zat ik dan, kijkend uit het raam, me afvragend wat ik deze keer had mis gedaan.
Was het mijn manier van doen? mijn manier van praten, of waren het soms de dingen die ik juist niet deed?
Ik schrik, mijn hart maakt een sprongetje ..
Maar het is maar een trein, die me uit mijn dagdromen en kniezen haalt en me back to reality brengt.
Net zoals die trein zo snel en onverwacht op me afkwam, kwam jij dat ook, uit het niets, toen maakte mijn hart
ook een sprongetje, alleen toen was het een happyness hop.
Maar sinds gisteren, veranderde mijn gelukzalige gevoel .. in een hel.
(2)
Tijd om uit te stappen, ik volg de menigte de trein uit, nog steeds in gedachte. Op een of andere manier voelt mijn onderbewustzijn iets, iets dat niet goed zit. Ik kom uit mijn waas en daar is hij ..
Hij staat daar, kijkt me recht in mijn ogen aan, en laat mijn hart wederom smelten. Hoe doet hij dat toch, hoe weet hij me keer op keer met alleen al zijn blik om te turnen. Wat moet ik doen? Loop ik naar hem toe, en doe ik alsof er niks aan de hand is, of doe ik alsof ik hem niet gezien heb en loop ik met de stroom mee het perron af?
Ik doe wat ik altijd doe .. ik loop naar hem toe. Ik weet niet wat ik moet zeggen, dus hij neemt het woord. Hij houd me vast, mijn zijn sterkte armen, zijn grote borstkas waar ik tóch weer verlang om op te liggen, zijn … en toen zei hij het … ja.. hij zei het
(3)
“Ik hou van je, nog steeds” mijn mond valt open. Ik weet niet meer wat ik moet zeggen, wat zóu je moeten zeggen in een situatie als deze? Ik kijk hem aan, diep in zijn ogen, en daar zag ik het weer, die duivelse blik, ik sla mijn ogen neer en mompel ergens wazig dat ik er echt vandoor moet. Ik loop weg, nog steeds mijn blik teneergeslagen. Ik voel de angst weer, over mijn hele lichaam, met elastieke knieen pak ik in een automatische piloot de bus naar huis. Opgelucht laat ik me op een van de vieze stoelen vallen, en kijk naar buiten door een ruit waar door je nog net kan kijken, ik durf niet te dichtbij te gaan zitten, al die mensen met hun vieze gezicht tegen het raam, hun vieze plakkerige vingers, mijn gedachten dwalen al weer af naar andere dingen, precies zoals ik het wil. Totdat ik iets zie wat de luchtbel in een keer doorprikt en me hard met beide benen op de grond terug zet. Stond hij daar nou echt? Achter die boom bij het stoplicht? Of neemt mijn angst een loopje met me, en word ik paranoide? Thuis aangekomen, loop ik meteen naar boven, ik hoor mijn moeder beneden aan de trap nog vragen hoe mijn dag was, maar voor ik antwoord kan geven of zij verder kan zeuren smijt ik m’n deur al dicht. Ik laat me op bed vallen, maar spring er meteen weer af, wat…..is dat!!!?
Hey meissie, wat super gaaf zeg, je kan goed schrijven meis, kom weer gauw verder lezen hoor!!
Echt heel leuk om te lezen, ga t nu iedere week bijhouden!!